HET VEERHUIS  praktijk voor LevensZin

 

Het sprookje van het vosje en zijn beschermengel

In de waterleidingduinen was een jonge vos hartverscheurend aan het huilen. OEWHOEWHOEWWWW. Hij wist niet eens zo goed waarom hij zo moest huilen. Er waren een heleboel redenen. Hij was alleen. Niemand wilde zijn zelf gegraven hol met hem delen. OEWHOEWHOEWWWW. Hij had al uren geen konijn of muis rond zien huppelen. Hij had honger. OEWOEWHOEWWW.

Hij besloot maar wat te gaan wandelen. Uren trok hij langs het kanaal. Niets kon hem boeien. OEWOEWHOEWWW. Hij zag niet dat het zonnetje scheen. Hij zag niet dat het water helder was. Hij hoorde niet het gespetter van de eenden en de zwanen. Hij voelde niet het koele windje. Hij liep stug door vol van zijn verdriet.

Toen gebeurde er iets bijzonders. Ja, dat zag hij wel. Een mooi wit vlindertje vloog met hem mee. Het vlindertje had twee zwarte stippen op elke vleugel. Twee stippen. Alsof het vlindertje wilde zeggen dat hij niet meer alleen was. Vanaf nu waren ze met zijn tweetjes. Het vlindertje vloog weg bij het kanaal, naar een heuveltje met bloeiende struiken. Het vosje besloot mee te gaan. Op het heuveltje zag hij allemaal konijnen rond huppelen. Het mooie witte vlindertje had hem de weg gewezen naar een plaats waar hij volop kon jagen. Niet alleen dat. Op de heuvel had hij een geweldig uitzicht. De wind voelde weldadig. Het zonnetje scheen op zijn bolletje. Het vlindertje cirkelde om hem heen. “Wie ben jij?”, vroeg het vosje. Het vlindertje fladderde wat met zijn vleugeltjes. Alsof het vlindertje wilde zeggen: “Ik kan niet met je praten, maar ik ben er wel voor je.” Het vlindertje vloog weg bij de heuvel terug naar het kanaal. Onderweg kwamen ze bij een holletje onder een omgevallen boom.

Het holletje zat vol met vossen. “Hebben jullie nog een plekje voor mij?” “Zeker wel”, zei een vrouwtjesvos. “Ik kan nog wel een mannetje er bij hebben om op de jongen te passen.” De jonge vos wurmde zich door de ingang. “Ga je mee?”, vroeg hij aan de vlinder. De vlinder fladderde wat met haar vleugeltjes met de twee stippen. Alsof ze wilde zeggen: “Wij blijven met ons tweetjes waar je ook bent.” Ze cirkelde eerst nog wat rond vlak boven de ingang van het holletje en vloog toen weg. Het jonge vosje wist dat hij het vlindertje altijd zou vinden als hij het nodig had. Hij had zijn eigen beschermengel.